Historiek van Boechout

In een document van 974 verschijnt de naam Buocholt. Tot 1930 worden allerlei schrijfwijzen gebruikt, waarin Bouchout overheerst. Vanaf 1939 is de officiële naam Boechout. Zie ook inventaris.onroerenderfgoed.be - Boechout.

De oudst gekende schrijfwijze van Vremde is Frimethe, volgens een document van 1003. Zie ook inventaris.onroerenderfgoed.be - Vremde. De deelgemeenten Boechout en Vremde versmelten begin 1977 tot de gemeente Boechout.

Hoeven en moederhofsteden

Tot eind 16e eeuw werd in Boechout enkel landbouw bedreven, met de vele hoeven als relicten. Om het graan te malen waren er toen ook verschillende molens. De meesten waren houten molens, die nu allemaal verdwenen zijn, enkel Den Steenen Molen resteert nog.

Een belangrijk deel van de hoeven (met hun gronden) behoorden volledig toe aan de Sint-Baafsabdij. De rest van het grondgebied waren hoofdzakelijk cijnsgoederen, opgedeeld in percelen, ook "takken" genoemd. Deze "takken" werden gegroepeerd in zogenaamde moederhofsteden. De gebruikers waren jaarlijks verplicht tot betaling en levering van goederen, maar ook zekere karweien bij de lekebroeders op de hoeven van de Sint-Baafsabdij. De moederhofstad zorgde voor het nakomen van de cijnsverplichtingen.

Statige gebouwen

Vanaf de 17e eeuw verschenen er ook statige gebouwen, met het Spokenhof als oudste beschermd gebouw. Nadat in 1864 de spoorweg vanuit Antwerpen wordt aangelegd, en er ook een halteplaats komt in Boechout, schieten 'huizen van Plaisantie' (een soort mini-kasteeltje) als paddestoelen uit de grond: Rijke Antwerpenaars bouwen hier hun buitenverblijf, met het aantal torentjes als statussymbool.

Verwoestingen

Het afbranden van gebouwen en molens begon zowat in 1542 toen Maarten van Rossem (ingehuurd door de Franse en Deense koning) met zo'n 15.000 Gelderse krijgers een reeks plundertochten uitvoerde in onze streken. In 1579 waren het Spanjaarden, die uit frustratie "de huysinghen" van de Sombeke afbrandden. Enkele jaren later gevolgd door "de ruyteren van Antwerpen" (toen in handen van de Staatsen - de protestanten), die alle steunpunten in de omgeving wilden ontnemen van de Spanjaarden. De mensen ontvluchtten hierdoor het land, en hongerige wolven zwierven rond in de ontstane wildernis. Deze malaise duurde tot het Twaalfjarig Bestand (1609-1621).

De daarop volgende verwoestingen dateren van de twee wereldoorlogen.

Aantal inwoners

BoechoutVremdeSamen
1846: 1941, 1880: 2159, 1890: 2451, 1900: 3160
1920: 4766, 1940: 6263, 1950: 6663, 1970: 8183
1990: 9143, 2000: 9590, 2005: 9635
1846: 0691, 1880: 0717, 1900: 0899
1920: 1059, 1950: 1119, 1970: 1368
1990: 2179, 2000: 2366, 2005: 2454
1846: 02632, 1880: 02876, 1900: 04059
1920: 05825, 1950: 07382, 1970: 09551
1990: 11322, 2000: 11956, 2010: 12728

DE LANDSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING VANAF DE MIDDELEEUWEN TOT NU

(Naar: Antrop, 1989; Vervloet, 1984; Vervloet, 1986)
Uit de beleidsnota Cultuur van 1996-2000

Landschappelijk wordt Boechout tot de Zuiderkempen -meer bepaald tot het Land van Boom- gerekend (Antrop, 1989). De historische ontwikkeling van de Kempen is ook voor het landschap in deze gemeente representatief. De grondslag van de hedendaagse landschappen in de Kempen werd na de Gallo-Romeinse periode gelegd. Gedurende de vroege middeleeuwen (450 - circa 1000 na Christus) bestonden de nederzettingen in de zandige Kempen vermoedelijk uit losse hoeven of een klein aantal gegroepeerde hoeven. Ze vormden kleine eilandjes in het uitgestrekte natuurlandschap. De uitgestrekte bossen met eik fungeerden als weiland voor de veestapel (runderen en varkens). De degradatie van het gemengde loofbos in de latere perioden is hier mede het gevolg van. Rondom de boerderijen lagen enkele stukken akkerland onregelmatig verspreid. Deze akkers noemt men ook wel "huiskampen". Natuurlijke grenzen, zoals waterloopjes, bepaalden de vorm van deze akkerlanden.

De nieuw ontgonnen cultuurgronden uit de late middeleeuwen (circa 1000 tot 1500 na Christus) noemt men "akkers". Zij werden ingeschakeld in een weide-braakstelsel, d.w.z. dat de landbouwer bepaalde percelen afwisselend als braakgrond of als weiland in gebruik nam. Als kavelbegrenzing fungeerden vooral houtkanten en bomenrijen, die de kleinschaligheid van het landschap in de hand werkten.

In tegenstelling tot andere Kempische gemeenten bood de zandlemige bodem meer agrarische mogelijkheden dan de arme zandgronden in de Noorderkempen. De karakteristieke evolutie van een gemengd loofbos naar heide heeft hier niet plaats gevonden. Deze ideale omstandigheden vereisten vermoedelijk ook een beperktere ontginning van het bos. Bovendien boden de "rijke" bossen diverse alternatieven zoals houtbouw en jacht. Vandaag kunnen in deze streek dan ook nog diverse bossen worden aangetroffen. Ten behoeve van de veeteelt verschenen in de valleien beemden en weilanden.

Beemden: waterrijke gronden in lage beekdalen, die als wei- of hooiland gebruikt werden. In de winter kwamen deze gronden onder water te staan. Deze overstroming werd niet zo zeer als wateroverlast, maar wel als een verrijking van de gronden beschouwd. Een bijkomende vorm van bemesting vormde hier de turf- en houtas uit het huishoudelijk verbruik.

Samen met de ontwikkelingen in de landbouw in de 11de eeuw en de ontginningsgolf in de 13de eeuw groeit de bevolking aan. Naast de uitbreiding van de bestaande bewoningskernen, ontstaan er "filialen" van de bestaande nederzettingen of nieuwe alleenstaande hoevecomplexen. De periode van groei en ontginning wordt in de 14de eeuw afgebroken door een agrarische recessie.

Tijdens de nieuwe en nieuwste tijden (1500 - heden) werden de bestaande landbouwsystemen verder toegepast en verfijnd. Het Land van Boom was toen vrijwel volledig ontgonnen. Bos beperkte zich tot verspreide oppervlakten in het landschap. Gedurende deze periode ontstonden rond Antwerpen talrijke "maisons de pleasance". Vanaf de 18de eeuw vormden ze een karakteristiek onderdeel van het landschap in het Antwerpse. Niet zelden paalden deze buitenplaatsen aan uitgestrekte parken of tuinen. Het Hof van Boechout en het bijbehorende park kunnen tot deze lusthoven worden gerekend, alhoewel de geschiedenis van het kasteel verder teruggaat in de tijd.

In de 20ste eeuw neemt, door de groeiende mogelijkheid in het gebruik van kunstmeststoffen, de grootschaligheid van de landbouw toe. Ook de tuinbouw, die in Boechout overduidelijk aanwezig is, maakt deze groei mee en zal het uitzicht van het agrarisch gebied, vooral in de omgeving van de deelgemeente Vremde, grondig wijzigen en zelfs bepalen.

FERRARISKAART EN ANDERE, OUDE TOPOGRAFISCHE BRONNEN

Uit de beleidsnota Cultuur van 1996-2000

De Ferrariskaart van Boechout toont een landelijk dorp. Het toenmalige beeld was er een van een kleinschalig, gesloten landschap. De akkers waren door bomenrijen, houtkanten em hagen omzoomd en werden door talrijke veldwegen doorsneden. Karakteristiek voor de gemeente waren knoteiken, knotessen, meidoornhagen en walnoot. Enkel in de nabijheid van de bewoningskernen Boechout en Vremde ontplooit zich een meer open akkerland, dat mogelijk een gemeenschappelijk gebruik kende. Langs enkele grote wegen in het gebied, zoals Provinciebaan, Mussenhoevelaan en nabij het Hof van Boechout bevinden zich bomenrijen. Bij het vermelde kasteel komt tevens een park met vijver voor.

Bosgebieden kwamen hoofdzakelijk in het zuidelijk gedeelte van de gemeente, nabij het gehucht Boschhoeck voor. De bossen liggen verspreid in een gesloten agrarisch landschap met overwegend vochtige weilanden en beemden. Ook in het noorden van de gemeente, nabij het gehucht Millegem (Ranst), komt een klein bosgebied voor.

Een totaal ander beeld vormt de vallei van de Molenbeek. De vallei karakteriseert zich door de aanwezigbeid van moerassige weilanden en beemden. Bij de overgang van de drassige vallei en de hogere gelegen akkerpercelen bevond zich een smalle strook bos, vermoedelijk wilgenstruweel of elzenbroek.

RELICTENKAART

Uit de beleidsnota Cultuur van 1996-2000

Van de toenmalige situatie treffen we nu nog diverse relicten aan. Houtkanten, bomenrijen en hagen zijn in Boechout sterk in aantal afgenomen. Kleinschalige landschappen in Boechout zijn dan ook bijna volledig verdwenen. De karakteristieke kleine landschapselementen, zoals knoteik, zijn een zeldzaamheid geworden. Enkel het gebied ten zuiden van de Mastenweg en de Langsweg heeft nog een oorspronkelijk karakter. Dreven zijn nagenoeg verdwenen in het landschap. Enkel nabij het Hof van Boechout komen nog enkele belangrijke beukedreven voor.

Van de moerassige graslanden in de Boshoek en in de Molenbeekvallei vindt men nog karakteristieke zones terug, onder andere de Melkkuip en het gebied ten zuiden van het Don Bosco-instituut.

Het talrijkst zijn evenwel de bosrelicten. De bossen Moretus, Kwaad Peird, Turk en uitlopers van het Kapellekensbos (Lint) geven een vrij oorspronkelijk beeld van de vroegere vegetatiestructuren in het gehucht Boshoek. De bossen in het noorden van de gemeente zijn volledig verdwenen. Als relict vinden we nabij de Broederlozestraat een concentratie aan bomenrijen, waaronder veel Zwarte els.

Tot slot vinden we in de gemeente talrijke parken en herenhuizen. De meeste van deze parken zijn jonger dan 100 jaar. Uitzondering hierop zijn de domeinen van het Fruithof (circa 150 jaar oud) en Moretus, alhoewel de aanleg van deze parken in de loop der jaren sterk wijzigde. Sinds 1993 zijn deze waardevolle groene zones in de bewoningskern van de gemeente bij Ministerieel Besluit beschermd.

190